Twee moeders
21 maart 2026Ik geef een lezing over mijn boek Adoptica. Twaalf mensen luisteren naar mijn monoloog en stellen vragen. Ik heb me voorbereid op het een en ander en ik bouw meepraatmomenten in. Vlak voor de pauze komt het op gang. Een vrouw stelt dé vraag: van wie houd je het meest?
Ik vraag erom. Ik heb immers net verteld dat ik door de hereniging met mijn biologische moeder een tweede jeugd beleefde. Met alle complicaties vandien.
De waarde van liefde. Het is onvergelijkbaar: je herkent je meer in de een door het bloed. De ander vormt je, eerste moeder, tweede, driehoek, hol, bol.
Aan het eind van de avond lees ik het hoofdstuk voor dat het derde deel van het boek afrondt. Ik beschrijf mijn tuin, de varens, er zijn citaten uit een plantenboek. En verweef dit met de definitie van de adoptiedriehoek.
Over liefde spreek ik niet.
Live vertel ik dat de vrouwen soms jaloers op elkaar waren.
Heb je dit gevraagd aan je moeder?, vraagt een andere vrouw. Ze lijkt boos te zijn maar niet op mij. Dit is gekgenoeg meteen duidelijk. Het leven is niet lief voor haar, of zij niet voor het leven.
Vervelend. Ik merk dat de vraag me ongemakkelijk maakt. Ik vind het ook vreemd dat ik dit moet uitleggen maar laat het niet merken. Toch wordt er na deze vraag opvallend meer op de houten stoelen heen en weer geschoven.